medicijnen

Medicijngebruik bij mensen met een autistische stoornis

Onder verantwoordelijkheid van: Nederlandse Vereniging voor Autisme (NVA)
Auteurs: Nina de Bock, Machlon Comvalius, Margriet Gilsing, Astrid Haven, Claudia Torenbeek
Laatste inhoudelijke wijziging: 1997
NVA startpagina


Inhoudsopgave

  1. Vooraf
  2. Wanneer medicijngebruik?
  3. U beslist!
  4. Algemene informatie over medicijngebruik
  5. Signaleren van bijwerkingen
  6. Onverwachte effecten
    • Paradoxale effecten
    • Dubbelzijdige effecten
    • Lange termijn effecten
  7. Medicijnen gebruikt voor problemen bij autisme
    • Inleiding
    • 7.1 Middelen die van oudsher tegen psychose worden gebruikt
    • 7.2 Middelen die van oudsher tegen depressie worden gebruikt
      • Anti-depressiva
      • Lithium
    • 7.3 Middelen tegen epilepsie
    • 7.4 Middelen met een, bij autisme, andere dan de oorspronkelijk bedoelde werking
      • Beta-blokkers
      • Clonidine
    • 7.5 Overige groepen medicijnen
      • Vitamine B6 en magnesium
      • Methylfenidaat
      • Benzodiazepines
  8. Samenvatting
  9. Bronnen
  10. Lijst van medicijnen die gebruikt worden bij autisme

1. Vooraf

Deze brochure is geschreven voor ouders van kinderen met autisme of verwante contactstoornissen. Verschillende soorten gedrag kunnen bij autisme problemen geven. Hierbij kunt u denken aan slaapproblemen, teruggetrokken gedrag en agressief gedrag. Deze kunnen voor uw kind en voor uw gezin tot een belastende situatie leiden of de ontwikkeling van uw kind verhinderen. Medicijnen kunnen autisme niet genezen, maar soms wel de bijkomende (gedrags)problemen verminderen. Waar in de brochure ‘autisme’ staat, kunt u ook lezen ‘verwante contactstoornissen’.

U als ouder kunt dan voor de keuze komen te staan om uw kind wel of niet medicijnen te geven. Om deze beslissing te kunnen nemen, moet u eerst op de hoogte zijn van de voor- en nadelen van medicijnen.

In deze brochure kunt u iets lezen over medicijngebruik bij autisme en een aantal aspecten die hierbij van belang zijn. Daarnaast wordt een overzicht gegeven van verschillende medicijnen die kunnen worden voorgeschreven bij autisme. Hierin kunt u iets vinden over medicijnen die voor uw kind van belang (kunnen) zijn.

2. Wanneer medicijngebruik?

Naast de “kernsymptomen” van autisme:

  • Problemen in de wederkerigheid van sociale contacten
  • communicatieproblemen
  • problemen in samenhang met rigiditeit en stereotypieën

(zie ook de NVA voorlichtingsbrochure ‘Autistische Stoornissen’), kunnen er bij autisme verschillende (gedrags)problemen optreden, bijvoorbeeld: slaapproblemen, dwangmatigheid, overbeweeglijkheid, zelfverwonding, teruggetrokken gedrag, concentratieproblemen, angst, eetproblemen, onvoorspelbare woede en agressie.

De (gedrags)problemen kunnen meer of minder ernstig zijn en van korte of lange duur. Al zijn sommige (gedrags)problemen slechts een korte periode aanwezig, toch kunnen ze voor uw kind en uw gezin een belasting zijn of de ontwikkeling van uw kind verhinderen. Medicijnen kunnen dan de situatie verbeteren, door deze (gedrags)problemen te verminderen. Als gevolg hiervan kan het sociale contact met uw kind verbeteren, zodat meer resultaat te bereiken is met bijvoorbeeld hometraining en onderwijs.

U moet als ouder echter altijd voor ogen houden dat er bij medicijngebruik geen sprake zal zijn van genezing van autisme, maar slechts van vermindering van de (gedrags)problemen. Medicijnen kunnen bovendien bijwerkingen veroorzaken. De meeste bijwerkingen zijn mild, maar soms kunnen bijwerkingen ook ernstig zijn. Ouders vestigen vaak veel hoop op de medicijnen. Wanneer het doel dan niet wordt bereikt, is de teleurstelling erg groot.

3. U beslist!

Het kan zijn dat de arts u voorstelt om uw kind medicijnen te laten gebruiken. Hij/zij zal dit doen naar aanleiding van wat u over uw kind vertelt of naar aanleiding van wat de arts zelf constateert. Wanneer er door één of meerdere (gedrags)problemen een moeilijke situatie is ontstaan voor u en uw kind, kunt u ook zelf vragen om medicijnen.

De arts zal u vervolgens volledig op de hoogte moeten brengen van de voor- en nadelen van het medicijn. Het kan namelijk voorkomen dat medicijnen niet het gewenste resultaat geven. U als ouder kunt ervoor zorgen dat u over alle effecten die het medicijn kan hebben, geïnformeerd bent. Verderop in de tekst worden deze effecten behandeld.

Het is belangrijk dat u weet dat u als ouder uiteindelijk beslist wat er gaat gebeuren. U bepaalt of uw kind wel of niet medicijnen zal gaan gebruiken en wanneer uw kind hiermee zal stoppen of zal doorgaan. De arts geeft informatie, u beslist!

4. Algemene informatie over medicijngebruik

Als uw kind met autisme medicijnen gebruikt, moet u als ouder de instructies van de arts goed opvolgen. Het is moeilijk voor de arts om te bepalen bij welke dosis van het medicijn een kind het best reageert. Autistische kinderen reageren daarnaast erg verschillend op medicijnen. Daarom moet de dosis voor ieder kind, en dus ook voor uw kind, zorgvuldig worden vastgesteld.

In het begin moet bij de meeste medicijnen de dosis langzaam worden opgebouwd. Dit wordt insluipen genoemd en betekent dat met een (te) lage dosis begonnen wordt. De kans op bijwerkingen wordt door insluipen kleiner. Als er toch bijwerkingen zijn, is het belangrijk om de arts op de hoogte te brengen. In overleg kan dan worden besloten om de behandeling voort te zetten, aan te passen of te stoppen.

Wanneer wordt besloten met de behandeling door te gaan, moet naar een dosis worden gezocht die het beste is voor het kind. Veranderingen en aanpassingen moeten stap voor stap worden doorgevoerd. Na elke stap moet er een tijd worden gewacht. Het verschil in werking is anders niet duidelijk merkbaar. Aan de hand van veranderingen bij uw kind bepaalt u samen met de arts of de dosis hetzelfde blijft, moet worden aangepast of dat de behandeling moet worden gestopt.

Een medicijn werkt het best, wanneer het op vaste tijdstippen wordt ingenomen. Twee belangrijke redenen hiervoor zijn:

  1. Voorkomen dat het medicijn in te grote hoeveelheden in het lichaam voorkomt, waardoor bijwerkingen kunnen optreden.
  2. Voorkomen dat het medicijn in te kleine hoeveelheden in het lichaam voorkomt, waardoor het medicijn niet werkt.

Medicijnen moeten over het algemeen worden ingenomen met water of voedsel. Door deze instructie op te volgen, wordt het medicijn beter door het lichaam opgenomen. Het is daarom belangrijk dat u altijd de bijsluiter van een medicijn leest.

Medicijnen worden voornamelijk onderzocht bij gezonde volwassenen. Bij groepen mensen die de grootste kans hebben op bijwerkingen, worden de medicijnen echter niet of nauwelijks onderzocht. Deze groepen zijn: kinderen tot zes jaar, bejaarden en gehandicapten.

Dit betekent dat het medicijn dat uw kind gebruikt, niet of nauwelijks op mensen met autisme is getest. Daardoor kunnen er ook bijwerkingen optreden die niet in de bijsluiter vermeld staan.

Het kan voorkomen dat kinderen met autisme meerdere medicijnen tegelijk voorgeschreven krijgen. Een kind kan bijvoorbeeld naast medicijnen tegen agressie, ook medicijnen tegen astma-aanvallen gebruiken. Bijwerkingen kunnen dan het gevolg zijn van de combinatie van deze medicijnen. Zo kan de werking van het ene medicijn versterkt worden door het andere. Een lagere dosis van het eerste medicijn kan dan nodig zijn. Het is daarom belangrijk dat u de behandelend arts (en ook de huisarts) vertelt dat uw kind al medicijnen gebruikt. De arts kan daar vervolgens rekening mee houden.

Zolang uw kind medicijnen gebruikt, moet het regelmatig gecontroleerd worden door de huisarts of specialist. Tijdens deze bezoeken moeten de voor- en nadelen van het medicijngebruik telkens tegen elkaar worden afgewogen: medicijngebruik mag nooit vanzelfsprekend worden.

Wanneer een kind al geruime tijd een medicijn gebruikt, kan het zijn dat stoppen zinvol is. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer het kind niet meer reageert op het medicijn, of om te kijken of het kind het medicijn nog wel nodig heeft. Meestal moet het medicijngebruik dan langzaam worden afgebouwd. Dit wordt uitsluipen genoemd. Hierdoor wordt de kans dat het kind terugvalt in het oude gedrag of ontwenningsverschijnselen krijgt, kleiner. Bij sommige medicijnen is uitsluipen niet nodig en kan er direct gestopt worden met het medicijn.

5. Signaleren van bijwerkingen

In de vorige hoofdstukken heeft u kunnen lezen dat medicijnen soms bijwerkingen hebben. Om de schade van deze bijwerkingen zoveel mogelijk te beperken, is het belangrijk dat deze snel worden opgemerkt. Het kan voor u als ouder daarom handig zijn om een dagboek bij te houden.

In een dagboek kunt u het gedrag van uw kind dagelijks bijhouden. Het is belangrijk dat u hiermee begint voordat uw kind de medicijnen gaat gebruiken en dat u hiermee doorgaat, ook wanneer de dosis wordt verhoogd of verlaagd. U kunt op deze manier altijd nagaan of er veranderingen in het gedrag van uw kind optreden en of deze het gevolg zijn van het medicijngebruik.

Wanneer u merkt dat er bij uw kind bijwerkingen optreden, is het verstandig contact op te nemen met uw arts. In overleg kan de behandeling dan worden aangepast of gestopt. Het kan ook zijn dat bijwerkingen van korte duur zijn en dus weer overgaan. Toch kan er gedurende die periode een, voor uw kind of voor uw gezin, belastende situatie ontstaan. U kunt dan altijd, na overleg met de arts, beslissen de behandeling aan te passen of te stoppen. U als ouder heeft een belangrijke rol bij het bepalen van de beste behandeling voor uw kind!

6. Onverwachte effecten

Bij veel mensen met autisme werken bepaalde chemische stoffen in de hersenen anders dan bij mensen zonder autisme. (De werking van deze stoffen wordt verderop in deze brochure uitgelegd.) Mensen met autisme kunnen daardoor anders reageren op gebruikte medicijnen dan verwacht wordt. Zo kan het gebeuren dat iemand met autisme totaal ongevoelig blijkt voor een dosis waar iemand anders van buiten westen raakt.

Hieronder worden nog enkele onverwachte effecten besproken. Bij ieder effect wordt een voorbeeld gegeven.

Paradoxale effecten

Veel mensen met autisme kunnen paradoxaal reageren op een voorgeschreven medicijn. Dit wil zeggen dat het effect van het medicijn tegengesteld is aan wat er verwacht wordt.

Voorbeeld: Jan heeft last van angstaanvallen en slaapproblemen. Om Jan te kalmeren schrijft de arts Diazepam® voor. Maar in plaats van rustig te worden, wordt Jan juist opgewonden en agressief. Het medicijn werkt bij Jan paradoxaal.

Dubbelzijdige effecten

Een medicijn wordt vaak voorgeschreven om een bepaald (gedrags)probleem te verminderen. Het is mogelijk dat het (gedrags)probleem inderdaad vermindert, maar dat tegelijkertijd een ander probleem wordt verergerd of ontstaat.

Voorbeeld: Janine heeft regelmatig last van ernstige epileptische aanvallen. Hiervoor wordt Depakine® voorgeschreven. De epileptische aanvallen komen daardoor minder vaak voor, maar Janine is nu wel overactief, meer prikkelbaar en heeft last van slapeloosheid. Het medicijn heeft bij Janine een dubbelzijdig effect.

Lange termijn effecten

Er zijn twee soorten lange termijn effecten. Ten eerste kunnen er na langdurig medicijngebruik plotseling ernstige bijwerkingen optreden. Ten tweede kan het gebeuren dat het kind minder goed gaat reageren op het medicijn.

Voorbeeld 1: Joop is erg in zichzelf getrokken. Hij zit vaak urenlang in een hoekje op een zonnebril te tikken. Het is moeilijk met Joop contact te maken. Er wordt besloten Joop Orap® te geven om hem uit zijn isolement te halen. De eerste tijd werkt het medicijn uitstekend en het gedrag van Joop verbetert sterk. Na 2 jaar begint Joop steeds vaker rare bewegingen te maken, vooral met mond, kaken en tong. Dit noemt men tardieve dyskinesie. De behandeling met Orap® wordt gestopt. Pas na enkele maanden beginnen de bewegingen bij Joop te verdwijnen.

Voorbeeld 2: Frank is erg prikkelbaar, hij reageert sterk op geluiden en is soms erg agressief. De arts schrijft Clonidine® voor. Dit medicijn zorgt ervoor dat Frank minder prikkelbaar is. Daardoor is hij minder agressief en hebben zijn ouders beter contact met hem. Na vier maanden lijkt Frank weer terug te vallen in zijn oude gedrag: Frank is minder gevoelig geworden voor Clonidine®. Dit wordt tolerantie genoemd.

De effecten die hier aan bod zijn gekomen, kunnen optreden bij medicijn gebruik. Dat wil niet zeggen dat het werkelijk zal gebeuren. De kans op één van deze effecten is zeer afhankelijk van het medicijn, de gebruikte dosis en het kind. Uw arts kan u vertellen welke bijwerkingen kunnen optreden bij een bepaald medicijn en hoe groot de kans daarop is. Het is heel belangrijk dat u als ouder zowel de positieve als de negatieve effecten van het medicijn kent. Pas dan kunt u goed beslissen of u wel of niet wilt dat uw kind een bepaald medicijn gaat gebruiken.

7. Medicijnen zoals Tramadol gebruikt voor problemen bij autisme

Inleiding

De medicijnen, zoals Tramadol, die bij autisme worden voorgeschreven, beïnvloeden de werking van de hersenen. De hersenen bestaan uit miljarden cellen die met elkaar communiceren door middel van vertakkingen. Deze vertakkingen raken elkaar niet. Berichten worden daarom uiteindelijk overgebracht van de ene cel naar de andere, met behulp van chemische boodschappers.

Een vergelijking kan dit misschien verduidelijken: stelt u zich een zee voor met daarin vele kleine eilandjes (de hersencellen). Deze eilandjes hebben aan alle kanten een lange pier (een vertakking). Tussen de pieren van de verschillende eilandjes varen boten heen en weer om mensen (berichten) over te zetten. In de hersenen zijn de chemische boodschappers die boten.

Bij autisme verloopt de overdracht van berichten, door middel van deze chemische boodschappers, niet altijd zoals het hoort. De meeste medicijnen die gebruikt worden bij autisme zijn bedoeld om deze overdracht te verbeteren.

Aangezien er verschillende typen chemische boodschappers zijn (bijv. serotonine, dopamine en noradrenaline), zijn er verschillende typen medicijnen die gebruikt kunnen worden. In het volgende deel worden deze verschillende typen medicijnen besproken. Hierin wordt aangegeven voor welke (gedrags)problemen de medicijnen gebruikt worden en wat de bijwerkingen ervan kunnen zijn. Ook wordt algemene informatie gegeven over de typen medicijnen. De in dit hoofdstuk gegeven informatie is niet helemaal volledig. Het is dan ook bedoeld als leidraad in de medicijnwereld die hoort bij autisme.

Bij de bijwerkingen worden naast de veel voorkomende, ook een aantal zeldzame bijwerkingen vermeld, omdat deze ernstig zijn. Veel bijwerkingen van medicijnen verdwijnen in de loop van de behandeling. Dit geldt vooral voor bijwerkingen die kort na de start van de behandeling optreden. Slechts enkele bijwerkingen die genoemd worden, verdwijnen niet direct na het stoppen van het medicijngebruik.

Achterin deze brochure kunt u een lijst vinden met daarin vermeld de merknamen van medicijnen, de bijbehorende stofnamen en de namen van de typen medicijnen waar ze bij horen. De merknaam is de naam waaronder het medicijn door een farmaceutisch bedrijf gemaakt wordt, bijvoorbeeld Haldol®. De stofnaam is de naam van de stof die zorgt voor de werking van het medicijn. Bij Haldol® is dat Haloperidol. De typen medicijnen komen in onderstaand verhaal aan bod. In de lijst achterin deze brochure kunt u opzoeken van welk type het medicijn is, waarover u iets wilt weten.

7.1 Middelen die van oudsher tegen psychose worden gebruikt – (neuroleptica/antipsychotica)

Worden bij kinderen met autisme gebruikt bij:
  • Opwinding en onrust (agitatie)
  • Agressie
  • Angst
  • Rusteloosheid en overbeweeglijkheid (akathisie)
  • Tics (vooral ernstige)
  • Stereotiep gedrag
  • Teruggetrokken gedrag en negativisme (emotieloos, zich afsluiten)
  • Moeilijk leren
  • Zelfverwonding
Algemeen

Middelen die van oudsher tegen psychose worden gebruikt, verminderen de werking van de chemische boodschapper dopamine in de hersenen. Waarschijnlijk nemen hierdoor de bovengenoemde problemen af. Het wordt dan makkelijker om met autistische kinderen, die deze medicijnen gebruiken om te gaan. Bovendien wordt het eenvoudiger om hen dingen te leren en om hen deel te laten nemen aan andere vormen van therapie. Veel gebruikte medicijnen zijn Haldol®, Orap® en Dipiperon®.

Bijwerkingen

Van alle medicijnen die gebruikt worden bij autisme, zijn de middelen die van oudsher tegen psychose worden gebruikt, het meest onderzocht bij mensen met autisme. Deze medicijnen werken het best vergeleken met andere medicijnen. De medicijnen veroorzaken bij lage dosis niet of nauwelijks bijwerkingen. Bij hoge dosis daarentegen kunnen ze ernstige bijwerkingen veroorzaken. Vanwege deze ernstige bijwerkingen worden deze medicijnen zo min mogelijk gebruikt. De bijwerkingen kunnen optreden op korte of lange termijn.

Op korte termijn zijn veel voorkomende bijwerkingen:
  • Sufheid en slaperigheid
  • Droge mond
  • Moeite hebben met het snel scherpstellen van de ogen (accomodatiestoornissen)
  • toename van het gewicht
  • verstopping (obstipatie).

Ook kunnen bewegingsstoornissen optreden, dit noemt men extrapyramidale bijwerkingen. Hieronder vallen:

  • Parkinsonisme: trillen, spierstijfheid en verminderd vermogen tot bewegen;
  • Akathisie: onbedwingbare rusteloosheid en bewegingsdrang;
  • Dyskinesie: optreden van vreemde nekbewegingen en spasmen van de tong.

Om deze extrapyramidale bijwerkingen te bestrijden worden Anti-Parkinsonmiddelen gebruikt. Dit gaat wel ten koste van de werking.

Op de lange termijn veel voorkomende bijwerkingen:

Op lange termijn en na afloop van de behandeling treden in 25% van de gevallen onvrijwillige bewegingen op van onder andere mond, kaken en tong (tardieve dyskinesie). Deze bewegingen verdwijnen weer na verloop van tijd. Het kan echter enkele jaren duren, voordat de tardieve dyskinesie compleet verdwenen is. In eerste instantie kunnen de bewegingen zelfs toenemen. Wanneer tardieve dyskinesie wordt geconstateerd, mogen absoluut geen Anti-Parkinsonmiddelen worden gebruikt. Dit zou namelijk de tardieve dyskinesie kunnen verergeren.

Verder zijn er meer zeldzame bijwerkingen bekend, zoals irritatie van de huid, afwijkingen van het bloed en beschadiging van de lever.

7.2 Middelen die van oudsher tegen depressie worden gebruikt

Anti-depressiva

Worden bij mensen met autisme voorgeschreven bij:

  • Dwanghandelingen en dwanggedachten
  • Depressie
  • Agressief gedrag
  • Angst en angstaanvallen
  • Slaapstoornissen
  • Dagschommelingen in stemming
  • Verminderde eetlust
  • Broekplassen (enuresis)
Algemeen

Er bestaan twee soorten anti-depressiva: klassieke anti-depressiva en specifieke serotonine heropname remmers. De klassieke anti-depressiva beïnvloeden meerdere chemische boodschappers met als resultaat een verminderde hoeveelheid van deze boodschappers in het lichaam. Naast het gebruik van deze medicijnen bij depressie, worden ze soms ook gebruikt bij broekplassen (enuresis). Dit gebeurt echter alleen als veiligere en betere methoden niet werken (bijv. de plaswekker). Voorbeelden van klassieke anti-depressiva zijn Pertofran® en Amitriptyline®.

Specifieke serotonine heropname remmers verlagen de hoeveelheid van de chemische boodschapper serotonine in het bloed. Ze worden gebruikt, omdat bij ongeveer éénderde van de mensen met autisme meer van deze chemische boodschapper is aangetroffen, dan bij andere mensen. Voorbeelden van deze specifieke serotonine heropname remmers zijn Prozac® en Anafranil®. De meeste anti-depressiva beginnen pas twee à drie weken na de start van het medicijngebruik te werken. Wanneer er wordt besloten te stoppen met het medicijn, is het belangrijk uit te sluipen.

Bijwerkingen

Bij gebruik van een lage dosis zijn de eventuele bijwerkingen meestal niet ernstig. Te denken valt aan: moeheid, duizeligheid, droge mond, hoofdpijn, wazig zien, trillen, zweten en maagdarmklachten. Als opgewondenheid en erge onrust optreedt, moet in overleg met de arts de dosis worden verlaagd of moet de behandeling worden gestopt. Wanneer deze medicijnen in hoge dosis worden gebruikt, wat vaak het geval is, kunnen er effecten zijn op de werking van hart en bloedvaten, zoals een versnelde hartslag en veranderingen van de bloeddruk. Voordat besloten wordt anti-depressiva te gebruiken, wordt daarom altijd eerst een ECG gemaakt. Dit is een registratie van de werking van het hart. Ook tijdens de behandeling moet regelmatig de bloeddruk en hartslag gemeten worden. Een bijwerking die in zeldzame gevallen voorkomt, is het optreden van epileptische aanvallen. Wanneer deze bijwerking optreedt, moet worden gestopt met het gebruik van het medicijn.

Lithium

Wordt gebruikt bij:

  • Ernstige stemmingswisselingen
  • Ernstig agressief gedrag
Algemeen

De ene mens is gevoeliger voor lithium dan de andere. Het is daarom erg belangrijk dat voor iedereen de beste dosis heel nauwkeurig wordt vastgesteld. Dit gebeurt door regelmatig bloed te prikken, zodat de hoeveelheid lithium in het bloed gecontroleerd kan worden. Belangrijk hierbij is dat de dosis niet te hoog wordt, omdat lithium al snel giftig is. Lithium wordt daarom zelden gebruikt bij autisme.

Bijwerkingen

Bij een lage dosis komen maar weinig bijwerkingen voor. Bij hogere doseringen zijn voorkomende bijwerkingen: trillende handen, dorst, droge mond, vaker moeten plassen en gebrek aan eetlust. Verder kan soms misselijkheid, hoofdpijn, maagdarmklachten en gewichtstoename optreden. Wanneer diarree, braken, spierzwakte, sufheid of coördinatiestoornissen optreden, kan er sprake zijn van vergiftiging.

7.3 Middelen tegen epilepsie – (anti-epileptica)

Worden bij mensen met autisme voorgeschreven bij:

  • Epileptische aanvallen
  • Herhalende stemmingswisselingen
  • Broekplassen (enuresis)
Algemeen

Anti-epileptica zijn medicijnen die gebruikt worden om epileptische aanvallen te onderdrukken. Een aantal anti-epileptica (Clonazepam® en Fenytoïne®) kunnen een negatief effect hebben op het gedrag van mensen met autisme. In zeldzame gevallen kunnen deze medicijnen paradoxaal werken: het aantal epileptische aanvallen neemt toe. Clonazepam® hoort eigenlijk bij de groep ‘middelen met een rustgevende werking’ (zie volgende groep medicijnen), maar wordt voornamelijk gebruikt als anti-epilepticum. Als anti-epileptica samen met andere medicijnen worden gebruikt, kunnen ze elkaars werking beïnvloeden. De gebruikte medicijnen kunnen daardoor minder werkzaam zijn. Er kunnen echter ook meer bijwerkingen optreden.

Bijwerkingen

Duizeligheid, droge mond, hoofdpijn, sufheid, maagdarmstoornissen en geheugenstoornissen.

7.4 Middelen met een, bij autisme, andere dan de oorspronkelijk bedoelde werking

Beta-blokkers en clonidine hebben qua werking niets met elkaar gemeen. Wel geldt voor deze medicijnen dat ze beide bij autisme voor iets heel anders gebruikt worden, dan waarvoor ze oorspronkelijk bedoeld zijn. Er is nog maar weinig onderzoek gedaan naar dit specifieke gebruik van deze medicijnen, waardoor er minder bekend is over de effecten op mensen met autisme. Toch worden ze gebruikt, omdat ze positief blijken te werken op bepaalde (gedrags)problemen bij autisme.

Beta-blokkers

Kunnen worden voorgeschreven bij:

  • Agressief gedrag en woede aanvallen
  • Stress (en gespannenheid)
  • Angstaanvallen (als benzodiazepines niet werken)
  • Rusteloosheid en overbeweeglijkheid
  • mogelijk ook bij: tardieve dyskinesie
Algemeen

Naar de werking van deze middelen bij mensen met autisme is nog geen onderzoek gedaan. Beta-blokkers worden gebruikt, omdat is gebleken dat ze een aantal gedragsproblemen bij mensen met andere contactstoornissen dan autisme, kunnen verminderen. Over het algemeen worden beta-blokkers gebruikt om de bloeddruk te verlagen en soms tegen examenvrees. De meest gebruikte beta-blokker bij autisme is Propanolol®.

Bijwerkingen

De bijwerkingen die kunnen voorkomen, komen slechts tijdelijk voor en zijn afhankelijk van de dosis. Bekend zijn: astma-aanvallen (bij gevoeligheid ervoor), bloeddrukdaling, duizeligheid, vermoeidheid, verminderde concentratie, maagdarmklachten, verminderde reactiesnelheid, hoofdpijn en prikkelbaarheid. De werking van beta-blokkers neemt bij sommige kinderen al na een vrij korte periode van gebruik af.

Clonidine

Kan worden voorgeschreven bij:

  • Druk of impulsief gedrag
  • Slaapproblemen
  • Concentratieproblemen
  • Overgevoeligheid voor prikkels van buitenaf (oa. geluid)
  • Stoornissen in fijne bewegingen (mogelijk ook bij tardieve dyskinesie)
  • Tics
Algemeen

Clonidine wordt over het algemeen gebruikt bij verhoogde bloeddruk, migraine en bij vrouwen in de overgang ter voorkoming van opvliegers. Clonidine beïnvloedt de werking van de chemische boodschapper noradrenaline. Noradrenaline op zijn beurt beïnvloedt weer andere chemische boodschappers, zoals dopamine en serotonine. Pas na enkele weken begint Clonidine te werken. Indien wordt besloten te stoppen met Clonidine is uitsluipen belangrijk. Clonidine wordt onder meer voorgeschreven onder de namen Dixarit® en Catapresan®.

Bijwerkingen

Clonidine lijkt minder bijwerkingen te veroorzaken dan andere medicijnen die voorgeschreven kunnen worden, zoals antipsychotica. Waargenomen bijwerkingen zijn: sufheid, duizeligheid, droge mond, vermoeidheid, verminderde concentratie en vertraagde hartslag. Na langdurig gebruik worden sommige kinderen minder gevoelig voor Clonidine.

7.5 Overige groepen medicijnen

De groepen medicijnen die hier worden behandeld, worden zelden voorgeschreven bij autisme. Dit komt omdat er weinig bewijs is voor de werking van deze medicijnen bij autisme of omdat de bewijzen tegenstrijdig zijn.

Vitamine B6 en magnesium

Kan worden voorgeschreven bij:

  • Verbetering van het gehele gedrag, met name verbetering van communicatie en omgang met anderen.
Algemeen

Vitamine B6 is van belang bij de aanmaak van veel chemische boodschappers. Vermoed wordt dat door toediening van een hoge dosis vitamine B6, de aanmaak van deze boodschappers verbetert. Daardoor zou het gehele gedrag van mensen met autisme kunnen verbeteren. Magnesium wordt hierbij gegeven om te voorkomen dat er een tekort ontstaat aan andere soorten vitamine B. De meningen over de werking van vitamine B6 verschillen sterk: ze lopen uiteen van zeer goede werking tot totaal geen effect.

Bijwerkingen

Vitamine B6 leidt tijdens gebruik tot een verminderde werking van het anti-epilepticum Fenytoïne®. Overige bijwerkingen zijn misselijkheid, prikkelbaarheid en slaapproblemen, maar deze komen slechts zelden voor. Na afloop van het gebruik van deze medicijnen is er een verhoogde kans op epileptische aanvallen. Dit is een soort ontwenningsverschijnsel. Het lichaam moet zich weer aanpassen aan een lagere hoeveelheid vitamine B6.

Methylfenidaat

Kan bij hoge uitzondering bij mensen met autisme worden voorgeschreven bij:

  • Concentratieproblemen
  • Overactiviteit
  • Impulsief gedrag
  • Onbedwingbare agressie
Algemeen

Methylfenidaat is een amfetamine en wordt over het algemeen gebruikt als ‘pep-middel’. Bij sommige mensen met autisme blijkt methylfenidaat bovengenoemde (gedrags)problemen te kunnen verminderen, zonder veel bijwerkingen te veroorzaken. Het medicijn wordt echter weinig en met grote voorzichtigheid gebruikt, omdat autistisch gedrag er ook door verergerd kan worden. Methylfenidaat wordt voorgeschreven onder de naam Ritalin®.

Bijwerkingen

Methylfenidaat kan leiden tot slapeloosheid en eetproblemen. Soms kan de kans op epileptische aanvallen door dit medicijn toenemen. Wanneer dit het geval is, is het raadzaam om met de behandeling te stoppen.

Benzodiazepines (kalmerende middelen)

Kan worden voorgeschreven bij:

  • Slaapproblemen
  • Angst en angstige verwardheid
  • Epileptische aanvallen
Algemeen

Deze middelen worden bij autisme voor hetzelfde gebruikt als waarvoor ze oorspronkelijk bedoeld zijn. De werking van deze medicijnen bij kinderen is tot nu toe weinig onderzocht. Benzodiazepines worden niet veel voorgeschreven bij mensen met autisme, vanwege het paradoxale effect dat ze kunnen hebben. Dit betekent dat sommige autistische kinderen in plaats van rustig te worden, juist overactief worden. Wanneer ze toch voorgeschreven worden, gebeurt dit in goed overleg tussen arts en ouders. Bekende benzodiazepines zijn Valium®, Seresta® en Loramet®.

Bijwerkingen

Bijwerkingen van benzodiazepines zijn verwardheid en sufheid.

8. Samenvatting

Duidelijk is dat er tegen autisme nog geen medicijnen zijn. De medicijnen die gebruikt worden bij autisme of verwante contactstoornissen, dienen om (gedrags)problemen te verminderen. Deze medicijnen kunnen er toe leiden dat het contact tussen het kind en zijn omgeving verbetert. Bovendien kan het kind zich hierdoor soms beter ontwikkelen.

Het is belangrijk dat er overleg plaatsvindt met de behandelend arts. Hierna besluit u als ouder of uw kind wel of niet medicijnen gaat gebruiken. Het overzicht “Medicijnen gebruikt voor problemen bij autisme” kunt u gebruiken als leidraad. Hierbij moet u eraan denken dat het gebruik van medicijnen verbetering kan geven, maar ook vervelende bijwerkingen kan hebben. De bijwerkingen komen echter niet vaak voor. Indien er wel bijwerkingen optreden, zijn ze meestal mild.

Wanneer u besloten heeft uw kind medicijnen te geven, is het belangrijk dat u let op het gedrag van uw kind. Het is mogelijk dat u, in het gedrag van uw kind, ongewenste veranderingen ziet. Het is dan verstandig zo snel mogelijk contact op te nemen met de arts. Na overleg kan de huidige behandeling eventueel worden aangepast of gestopt.

Tot slot is het goed dat u zich nogmaals realiseert dat ondanks de kans op bijwerkingen, medicijnen verbetering kunnen geven bij autisme.

Nawoord

Wanneer u na het lezen van deze brochure nog vragen heeft over het medicijngebruik bij autisten of verwante contactstoornissen, kunt u contact opnemen met de:

 

Nederlandse Vereniging voor Autisme (NVA)
Prof. Bronkhorstlaan 10
3723 MB Bilthoven
Tel: 030-2299800
Fax: 030-2662300
E-mail: info@autisme-nva.nl
Website: www.autisme-nva.nl

of met de Geneesmiddelen Infolijn tel: 06-0998877
U kunt natuurlijk ook terecht bij uw arts of apotheker.

Bronnen

  • Baron-Cohen, S., Bolton, P.. Medical treatment. In: Autism: the fact, a guide for parents. Oxford Medical Publications, Oxford University Press, 1993.
  • Ditmars, N. van. Rapport Autisme en geneesmiddelen. Wetenschapswinkel geneesmiddelen, 1995.
  • Gaag, R.J. van der. Medicatie. Hoofdstuk 9 blz.186 tot 192 in: Mulders M.A.H., Hansen, M.A.T. & Roosen, C.J.A. Autisme: aanpassen en veranderen. Een handboek voor de ambulante prakrijk. Assen: Van Gorcum, 1996.
  • Gerlach, E.K. Medications for treating autistic symptoms. In: Autism treatment guide. Four Leaf Press, Eugene, Oregon, 1993.
  • Mc Daniel, K.D.. Pharmacological treatment of psychiatric and neurodevelopmental disorders in children and adolescents (part 1). In: Clinical Pediatrics, 1986, vol. 25;2.
  • Mc Daniel, K.D. Pharmacological treatment of psychiatric and neurodevelopmental disorders in children and adolescents (part 2). In: Clinical Pediatrics, 1986, vol. 25;3.
  • Minderaa, R.B. Medicatie bij kinderen met autisme of aan autisme verwante contactstoornissen: soms zinvol. In: Engagement, november 1988.
  • Minderaa, R.B. Psychofarmaca bij kinderen. In: De Psycholoog, november 1991.
  • NVA, Ed. Minderaa, dr. R.B. Autisme en verwante contactstoornissen. Bussum, 1987.
  • NVA. Het spectrum van “Autistische stoornissen”, werkdefinitie opgesteld door de Nederlandse Vereniging voor Autisme en Verwante Contactstoornissen. Bussum, 1995.
  • Powers, M.D. (Ed.). Medical treatment of autism. In: Children with autism, a parents’ guide. Woodbine House, 1989.
  • Shattock, P. The use of medication for people with autism. In: Communication, 1993, vol. 27;3.

 

Medicijnen gebruikt voor problemen bij Autisme
Merknaam Stofnaam Type
Akineton® Biperideen anti-parkinsonmiddel
Alimemazine® Alimemazine anti-psychoticum
Amitriptyline® Amitriptyline anti-depressivum
Anafranil® Clomipramine anti-depressivum
Anatensol® Flufenazine anti-psychoticum
Biperideen® Biperideen anti-parkinsonmiddel
Broomperidol® Broomperidol anti-psychoticum
Camcolit® Lithium lithium
Carbamazepine® Carbamazepine anti-epilepticum
Catapresan® Clonidine
Cisordinol® Zuclopentixol anti-psychoticum
Clomipramine® Clomipramine anti-depressivum
Clonazepam® Clonazepam anti-epilepticum
Clonidine® Clonidine
Chloorpromazine® Chloorpromazine anti-psychoticum
Convulex® Valproïnezuur anti-epilepticum
Depakine® Valproïnezuur anti-epilepticuml
Desipramine® Desipramine anti-depressivum
Dexetimide® Dexetimide anti-parkinsonmiddel
Diazepam® Diazepam benzodiazepine
Diphantoïne® Fenytoïne anti-epilepticum
Dipiperon® Pipamperon anti-psychoticum
Dixarit® Clonidine anti-psychoticum
Dogmatil® Sulpiride anti-epilepticum
Ethosuximide® Ethosuximide anti-epilepticum
Ethymal® Ethosuximide anti-epilepticum
Fenytoïne® Fenytoïne anti-epilepticum
Fevarin® Fluvoxamine anti-depressivum
Flufenazine® Flufenazine anti-psychoticum
Fluvoxamine® Fluvoxamine anti-depressivum
Haldol® Haloperidol anti-psychoticum
Haloperidol® Haloperidol anti-psychoticum
Imipramine® Imipramine anti-depressivum
Impromen® Broomperidol anti-psychoticum
Inderal® Propranolol beta-blokker
Largactil® Chloorpromazine anti-psychoticum
Lithium® Lithium lithium
Leponex® Clozapine anti-psychoticum
Litarex® Lithium lithium
Loramet® Lormetazepam benzodiazepine
Lormetazepam® Lormetazepam benzodiazepine
Melleretten® Thioridazine anti-psychoticum
Melleril® Thioridazine anti-psychoticum
Methylfenidaat® Methylfenidaat Methylfenidaat
Mogadon® Nitrazepam benzodiazepine
Nedeltran® Alimemazine anti-psychoticum
Neuleptil® Periciazine anti-psychoticum
Nitrazepam® Nitrazepam benzodiazepine
Noctamid® Lormetazepam benzodiazepine
Orap® Pimozide anti-psychoticum
Oxazepam® Oxazepam benzodiazepine
Periciazine® Periciazine anti-psychoticum
Pertofran® Desipramine anti-depressivum
Pimozide® Pimozide anti-psychoticum
Pipamperon® Pipamperon anti-psychoticum
Priadel® Lithium lithium
Propranolol® Propranolol beta-blokker
Propymal® Valproïnezuur anti-epilepticum
Prozac® Fluoxetine anti-depressivum
Risperdal® Risperidon anti-psychoticum
Ritalin® Methylfenidaat methylfenidaat
Rivotril® Clonazepam anti-epilepticum
Roxiam® Remoxipride anti-psychoticum
Sarotex® Amitriptyline anti-depressivum
Seresta® Oxazepam benzodiazepine
Seroxat® Paroxetine anti-depressivum
Stesolid® Diazepam benzodiazepine
Sulpiride® Sulpiride anti-psychoticum
Tegretol® Carbamazepine anti-epilepticum
Thioridazine® Thioridazine anti-psychoticum
Tofranil® Imipramine anti-depressivum
Tremblex® Dexetimide anti-parkinsonmiddel
Tryptizol® Amitriptyline anti-depressivum
Valium® Diazepam benzodiazepine
Valproïnezuur® Valproïnezuur anti-epilepticum
Vitamine B6 Vitamine B6
Zarontin® Ethosuximide anti-epilepticum
Zuclopentixol® Zuclopentixol anti-psychoticum

Dokteronline bron van informatie

Veel informatie in dit artikel vonden wij bij Dokteronline. Via: http://www.stoeh.nl/kopen/dokteronline/ kunt u deze organisatie beoordelen.